zaterdag 15 juli 2017

Nachtje doorvaren, brrr


Uitstelgedrag. Koudwatervrees. Geef het beestje maar een naampje. Wij hebben er last van, en eerlijk gezegd al sinds we terug zijn van ons Rondje Atlantic. Als je eenmaal de grote blauwe plas bent overgestoken draai je je hand niet meer om voor een nachtje doorzeilen. Althans, dat zou je denken. Toch komen we er steeds weer onderuit. Verzinnen we smoesjes: dat het hard waait, niet nodig is om door te halen, en dat de kinderen er niet op zitten te wachten. En daardoor komen we eigenlijk steeds niet waar we willen zijn. Vanaf morgen is dat afgelopen. Dan gaan we gewoon richting Oostzee, punt uit.


5 dagen geleden kwamen we aan boord. Gehaast, met veel te veel spullen, en brandend om mijlen te maken. Iedereen moest onthaasten. We moeten het gewoon weer leren, niks doen. Is dat niet opmerkelijk? 4 jaar geleden leerden we een harde les tijdens ons jaar weg, dat je dag al gevuld is met het opvoeden van je kinderen en je dagelijkse bezigheden. Je druk maken over hetgeen niet in je dag past, is dus totaal onzinnig. Nu zijn we – bijna – weer bij af.


Natuurlijk denk ik nog vaak terug aan die oversteek op de Golf van Biskaje, onze eerste echte oversteek waar we 3 dagen en nachten door moesten varen. Die eerste wacht zal ik nooit vergeten. Terwijl iedereen lag te slapen, zat ik alleen in de kuip onder een knots van een maan. Ons schip trok zich stoer door de flinke golven, en ik had geen idee wat ik die 4 uur van mijn wacht moest doen. Het was een regelrechte schok: ik kon gewoonweg niet meer niks doen. Altijd vulde ik mijn tijd op met iets nuttigs, elke minuut zat zo vol als het maar kon. En was dat niet met iets fysieks, dan was het wel met het maken van plannen in mijn hoofd. Nooit was ik stil.


Stil zijn


Stil. Daar denk ik nog wel eens aan. Ik moet vaker stil zijn. En dan ben ik even stil. Ik drink mijn koffie buiten in de zon, eet mijn boterham met aandacht, neem soms extra tijd voor een winkeltje, en heel soms pak ik een boek erbij. Maar echt heel stil ben ik nooit. Zeker niet zo vlak voor mijn vakantie. Vreemd eigenlijk hoe hardleers je dan bent. Waarom wil een mens toch zo doorhollen? En voor wie eigenlijk? Voor jezelf niet, toch?


Dus, we stoven aan boord, gooiden een dag later de trossen los en sjeesden richting de eerste brug in de Ringvaart. Einde van de dag legden we aan in Haarlem. Haarlem, ik hou van Haarlem. Het sfeervolle historische centrum van Haarlem kan altijd rekenen op een of meerdere bezoekjes van onze kant. Vooral van de mijne. Fijne winkeltjes, met eigenlijk altijd 'sale' als wij er zijn. Ook nu togen wij weer de stad in, op strooptocht. Na terugkomst namen de kids een plons in de grachten en moe maar voldaan kropen we onze hutten weer in.

De volgende dag sjeesden we verder richting de verenigingshaven IJmond, om de hoek van het Noordzeekanaal. Eerlijk gezegd had ik zo al die zee op willen stuiven, maar Chris zei – heel verstandig – dat we nog wat moesten voorbereiden. Zo moest het fok er nog op … oh ja. En moesten we even kijken wat het tij eigenlijk ging doen. Eigenlijk moesten we gewoon nog een plan trekken.


De verenigingshaven IJmond is een goed alternatief voor de drukke en dure marina in IJmuiden, even verderop. Hier onder de rook van Haarlem heeft de tijd stilgestaan. In de voornamelijk motorkruisertjes brengen pensionado's hun dagen door. Traag, en intens genietend. Rustig opstarten met een laat ontbijt en dan even koffie drinken in het clubhuis. Als de dames de boot van binnen soppen, werpen de heren een hengeltje uit of leggen een kaartje. Ook 's middags treft eenieder elkaar weer in het clubhuis. 's Avonds wordt er gezamenlijk voor een habbekrats gegeten, en iedereen zal wel weer vroeg op een oor gaan, want 's avonds is de haven uitgestorven.


Saai? Wellicht, maar deze mannen en vrouwen hebben de ratrace van zich afgeschud. Waarschijnlijk weten ze allang dat die geen zoden aan de dijk zet, en daarom kiezen ze eieren voor hun geld. En volgens mij genieten ze intens van elke dag.


Zeeziek


Na dit zou aanschouwd te hebben, losten wij de volgende ochtend de trossen en motorden in volle vaart naar zee. Zijn jullie er klaar voor? Riepen wij naar onze bloedjes. Waarop iedereen, inclusief Wietse volmondig riep: ja! Nog geen 10 minuten op zee: Wietse, die 'Muis' lag te kijken, ging liggen in zijn bed. 'He, hij gaat slapen', zei ik nog tegen Chris. Maar toen we een minuut later heel hard huilen hoorden, wisten we allebei hoe laat het was: te laat. En inderdaad, Wietse had zijn hele bed en zichzelf onder gespuugd. Snel nam ik hem mee naar buiten en kleedde hem om. Ik gooide al het beddengoed in een zak, en wikkelde het kleine mannetje in een deken en legde hem buiten tegen mijn schouder aan.


Arm kind, daar waren we al een beetje bang voor. Vorig jaar had hij op het IJsselmeer alles onder gespuugd. Doodziek was hij toen. Stiekem hoopten we dat het van tijdelijke aard was, kinderen onder de 4 jaar worden immers zelden zeeziek. Maar deze kerel had overduidelijk de genen van zijn vader, die ook altijd zeeziek wordt. Gelukkig hadden we een drankje bij de dokter besteld voor jonge kinderen met zeeziekte. Enige tijd later kregen we het bij hem naar binnen. En na een flinke tuk tegen mij aan, werd hij breed glimlachend wakker. Het werkte. Gelukkig.


Ook Hidde, die heel enthousiast de reis begon met het spelen op de tablet – binnen – kwam al snel groen en geel naar buiten. Ook hij had er blijkbaar last van, wat overigens voor het eerst was. Maar met eenzelfde recept: een slok van het toverdrankje en een tuk, was hij ook weer boven jan. Lara scharrelde daar glimlachend als een zustertje tussendoor – zij heeft overduidelijk de genen van haar moeder – en bracht slokjes drinken en droge crackers naar de patiënten. Toch wiegde het schip ook haar op enig moment in slaap.


Hollandse dolfijnen en zeehonden 


En terwijl onze 3 schatjes in de kuip sliepen, lieten wij deze zee-ervaring tot ons doordringen. We gleden langs de Hollandse kust, en door het bijna spiegelgladde water – we hadden de motor aan met een steunzeiltje – zagen we af en toe ruggetjes van bruinvissen oftewel Hollandse dolfijntjes en zeehonden. Ook de kinderen zagen ze, toen ze eenmaal weer wakker waren.


En na 9,5 uur varen meerden we aan in de haven van Texel, Oudeschild. De tocht was weer de eerste etappe om terug te schakelen uit onze 5e versnelling. En na 2 nachten hier aan het eiland, waarbij we alleen in en om de haven zijn geweest, krijgt het langzame leven ons rustigjes aan weer in zijn greep. De kinderen zijn eindeloos bezig met het vangen van krabben. Met netten en knijpers met mossels. Hele uren zien we ze niet. Dan spelen ze weer in de grote speeltuin die we vanuit de kuip kunnen zien, en dan weer zitten ze gespannen urenlang onder de brug waar de meeste krabben zitten.


En ook wij hoeven niet veel. Keertje boodschappen doen, over het dijkje naar een strandje lopen, wat kleine klusjes opknappen en tussendoor de reis richting Denemarken voorbereiden. Want daar willen we nu eigenlijk wel eens naartoe. Vanochtend zouden we gaan, en anders vanavond. Maar nee, we hebben het wat uitgesteld.


Morgenochtend gaat het gebeuren. Om 7 uur gaan de trossen los en maken we ons op voor twee dagen, en één nacht op zee. Als we het onderweg echt niet zien zitten, kunnen we altijd nog Vlieland in, of Lauwersoog, of het Duitse Waddeneiland Nordeney. Maar eigenlijk willen we gewoon 190 mijl naar Cuxhaven bij het Kielerkanaal, het kanaal waarmee je de Oostzee bereikt. Hidde kan niet wachten om lang te varen, zegt hij. Maar hij piepte laatst al toen de boot een pietje overhelde. Het zal mij benieuwen. Maar dat we gaan, is zeker. We keep you posted!